Woonkracht10-LiesbethGroeneveld

De Droom van Liesbeth Groeneveld

“Ik droom van wijken waar mensen zonder barrières kunnen wonen”

Hoe zien professionals en ervaringsdeskundigen de toekomst van de kwaliteit van wonen, leven en zorg voor kwetsbare mensen? Wat zijn hun dromen en ideeën voor verbetering? En wat kunnen we van elkaar leren om het leven van mensen die het niet helemaal alleen redden, verder te verbeteren?

Liesbeth Groeneveld, bestuurder van Woonkracht 10 en toezichthouder bij drie organisaties in het maatschappelijk middenveld, vertelt over haar ‘droomwijk’.

Wat drijft jou in je werk?
“Als ‘corporatiedier’ ligt mijn hart bij de kwetsbare doelgroepen. Niet alleen bij ouderen en mensen die hulpbehoevend zijn, maar bij alle mensen die een steuntje in de rug nodig hebben. Ooit hielp ik huurders met het invullen van huursubsidieformulieren, nu – dertig jaar later – span ik me als corporatiebestuurder in voor hun woonbelangen.”

“Door alle jaren heen heeft de zorg als sector steeds opnieuw mijn pad gekruist. Zo hebben we met verschillende partijen al in 1995 een integraal woon-, zorg- en welzijnstrefpunt in Hellevoetsluis opgezet. Dat was voor die tijd heel vernieuwend. Juist bij dat soort projecten en samenwerkingen voel je echt waar je passie ligt.”

Wat is jouw droom als je kijkt naar de kwaliteit van wonen, leven en zorg voor kwetsbare mensen?
“Mijn droom is dat mensen gewoon kunnen wonen en leven waar ze willen. Kwetsbare mensen die willen samenleven met gelijkgestemden op een plek waar hulp beschikbaar is, zouden zonder barrières ergens moeten kunnen wonen. Nu lopen ze tegen allerlei inkomenstoetsen, woonruimteverdelingsregels en wachtlijsten aan. Ik vind juist dat je veel meer moet kijken naar leefstijlen en wensen, in plaats van naar inkomens, regels, wetten en andere belemmeringen.”

Hoe zou je die droom kunnen waarmaken?
“Gebaseerd op mijn ervaringen door de jaren heen ben ik een groot voorstander van integrale samenwerking bij gebiedsontwikkeling. Ga uit van een buurt en wijk waar hoogwaardig gerenoveerd moet worden of waar de sloop-nieuwbouwplannen al op tafel liggen. En zoek, nog voordat de stedenbouwkundige aan de slag gaat, eerst de samenwerking op met zorg- en welzijnsorganisaties, gemeente en mogelijk met de huidige en toekomstige bewoners – jong en oud. Hoe zou de buurt er voor hen moeten uitzien?”

“Met zo’n integrale aanpak kom je tot een wijk waar iedere doelgroep – gezinnen, starters, ouders, jongeren met begeleiding – lekker kan wonen en leven in verschillende woningen van verschillende prijsklassen. Juist dan kom je tot wijken waar gelijkgestemden elkaar ontmoeten. Waar familie en vrienden dicht bij hun naasten kunnen wonen. En waar mensen met een verstandelijke beperking ‘gespikkeld’ (verspreid over wijken en complexen) zelfstandig kunnen wonen met óók zorg en welzijn dichtbij die hen kan ondersteunen in hun zelfredzaamheid. ”

“Belangrijk is wel dat we die wijken niet weer met allerlei verdeel- en inkomensregels belasten. Corporaties zouden daarin veel meer flexibiliteit moeten krijgen. Heb je een hoger inkomen, dan betaal je een hogere huur. Verdien je minder, dan betaal je minder.”

Naast intramuraal en gespikkeld wonen zie je steeds vaker een tussenvorm ontstaan voor mensen die zorg nodig hebben. Daarbij wonen zij geclusterd, maar zijn zorg en wonen wel gescheiden. Hoe kijk jij daartegenaan?
“Dat is juist mijn stokpaardje. Je voelt aan alles dat er behoefte is aan nieuwe vormen van wonen. Ik zou bijvoorbeeld graag het groepswonen 3.0 introduceren. Niet het groepswonen van vroeger met een gedeelde huiskamer, maar groepswonen waarbij iedereen zelfstandig woont en elkaar toch kan treffen. Er is grote behoefte aan deze vorm van wonen, zowel onder jongeren als onder ouderen.”

“Een speciale woonvorm vraagt uiteraard om speciale woningen en complexen. De uitdaging is wel om die zo te bouwen dat we de flexibiliteit houden om ze transformeren, wanneer de woon- en zorgwensen in de toekomst veranderen. Hierbij moeten we ons samen inspannen voor de bekostiging van ontmoetingsplaatsen, van ingerichte recreatiepleinen tot koffiecorners.”

De ontwikkeling van ‘jouw droomwijk’ begint met een integrale samenwerking tussen partijen in het maatschappelijk middenveld. Wat is er nodig voor een succesvolle samenwerking?
“Voor mij staat voorop dat er binnen een stuurgroep feminiene eigenschappen moeten zijn. Niet dat het allemaal vrouwen moeten zijn, maar de nadruk moet liggen op verbinden, empathie en begrip voor de positie van de ander. Niet alleen voor je eigen gewin en succes gaan, maar ook durven inleveren. Samen gaan voor de gemene deler – daar draait het om. Wat mij betreft gelden die feminiene eigenschappen niet alleen voor de maatschappelijke partners, maar ook voor de gemeenten, stedenbouwkundigen en projectontwikkelaars die aan het project werken.”

“Verder is binnen de stuurgroep slagkracht van groot belang. Je moet bouwen vanuit een gedeelde visie op de wijk en een gezamenlijke verantwoordelijkheid. Je hebt commitment nodig: ‘Zo gaan we het doen!’. Ook moet je samen naar de financiën kijken. Kun je door ‘ontschotting’ bijvoorbeeld de financiële stromen beter op elkaar laten aansluiten?”

“Medebepalend voor het succes is overigens wel de omvang van je ontwikkelingsgebied. Als dat gebied te groot en te complex is, loop je snel met z’n allen vast. In Papendrecht, waar we nu naar een nieuwe wijkaanpak kijken, is het gebied klein genoeg om genoeg slagkracht te behouden. We willen het project daar een eerste kleine parel laten zijn, waarvanuit we grotere cirkels kunnen trekken.”

Welke rol zie je voor de gemeente weggelegd in het bouwen aan droomwijken?
“Als samenwerkingspartner hebben we de gemeente hard nodig. Niet alleen vanuit haar faciliterende rol, maar ook voor de versoepeling van de wet- en regelgeving, zodat er meer flexibiliteit komt in huur, koop, huurprijsklassen, woonruimteverdelingsregels en al dat soort barrières.”
 
“Maar misschien nog wel de belangrijkste taak van de gemeente is haar luisterende rol. Mijn oproep: ‘Obedientia’. Luister vooral naar de mensen die actief zijn in die buurten en wijken. Zij weten precies wie er nu wonen en weten wat er nodig is.”

Woonkracht10-LiesbethGroeneveld

De Droom van Liesbeth Groeneveld

“Ik droom van wijken waar mensen zonder barrières kunnen wonen”

Hoe zien professionals en ervaringsdeskundigen de toekomst van de kwaliteit van wonen, leven en zorg voor kwetsbare mensen? Wat zijn hun dromen en ideeën voor verbetering? En wat kunnen we van elkaar leren om het leven van mensen die het niet helemaal alleen redden, verder te verbeteren?

Liesbeth Groeneveld, bestuurder van Woonkracht 10 en toezichthouder bij drie organisaties in het maatschappelijk middenveld, vertelt over haar ‘droomwijk’.

Wat drijft jou in je werk?
“Als ‘corporatiedier’ ligt mijn hart bij de kwetsbare doelgroepen. Niet alleen bij ouderen en mensen die hulpbehoevend zijn, maar bij alle mensen die een steuntje in de rug nodig hebben. Ooit hielp ik huurders met het invullen van huursubsidieformulieren, nu – dertig jaar later – span ik me als corporatiebestuurder in voor hun woonbelangen.”

“Door alle jaren heen heeft de zorg als sector steeds opnieuw mijn pad gekruist. Zo hebben we met verschillende partijen al in 1995 een integraal woon-, zorg- en welzijnstrefpunt in Hellevoetsluis opgezet. Dat was voor die tijd heel vernieuwend. Juist bij dat soort projecten en samenwerkingen voel je echt waar je passie ligt.”

Wat is jouw droom als je kijkt naar de kwaliteit van wonen, leven en zorg voor kwetsbare mensen?
“Mijn droom is dat mensen gewoon kunnen wonen en leven waar ze willen. Kwetsbare mensen die willen samenleven met gelijkgestemden op een plek waar hulp beschikbaar is, zouden zonder barrières ergens moeten kunnen wonen. Nu lopen ze tegen allerlei inkomenstoetsen, woonruimteverdelingsregels en wachtlijsten aan. Ik vind juist dat je veel meer moet kijken naar leefstijlen en wensen, in plaats van naar inkomens, regels, wetten en andere belemmeringen.”

Hoe zou je die droom kunnen waarmaken?
“Gebaseerd op mijn ervaringen door de jaren heen ben ik een groot voorstander van integrale samenwerking bij gebiedsontwikkeling. Ga uit van een buurt en wijk waar hoogwaardig gerenoveerd moet worden of waar de sloop-nieuwbouwplannen al op tafel liggen. En zoek, nog voordat de stedenbouwkundige aan de slag gaat, eerst de samenwerking op met zorg- en welzijnsorganisaties, gemeente en mogelijk met de huidige en toekomstige bewoners – jong en oud. Hoe zou de buurt er voor hen moeten uitzien?”

“Met zo’n integrale aanpak kom je tot een wijk waar iedere doelgroep – gezinnen, starters, ouders, jongeren met begeleiding – lekker kan wonen en leven in verschillende woningen van verschillende prijsklassen. Juist dan kom je tot wijken waar gelijkgestemden elkaar ontmoeten. Waar familie en vrienden dicht bij hun naasten kunnen wonen. En waar mensen met een verstandelijke beperking ‘gespikkeld’ (verspreid over wijken en complexen) zelfstandig kunnen wonen met óók zorg en welzijn dichtbij die hen kan ondersteunen in hun zelfredzaamheid. ”

“Belangrijk is wel dat we die wijken niet weer met allerlei verdeel- en inkomensregels belasten. Corporaties zouden daarin veel meer flexibiliteit moeten krijgen. Heb je een hoger inkomen, dan betaal je een hogere huur. Verdien je minder, dan betaal je minder.”

Naast intramuraal en gespikkeld wonen zie je steeds vaker een tussenvorm ontstaan voor mensen die zorg nodig hebben. Daarbij wonen zij geclusterd, maar zijn zorg en wonen wel gescheiden. Hoe kijk jij daartegenaan?
“Dat is juist mijn stokpaardje. Je voelt aan alles dat er behoefte is aan nieuwe vormen van wonen. Ik zou bijvoorbeeld graag het groepswonen 3.0 introduceren. Niet het groepswonen van vroeger met een gedeelde huiskamer, maar groepswonen waarbij iedereen zelfstandig woont en elkaar toch kan treffen. Er is grote behoefte aan deze vorm van wonen, zowel onder jongeren als onder ouderen.”

“Een speciale woonvorm vraagt uiteraard om speciale woningen en complexen. De uitdaging is wel om die zo te bouwen dat we de flexibiliteit houden om ze transformeren, wanneer de woon- en zorgwensen in de toekomst veranderen. Hierbij moeten we ons samen inspannen voor de bekostiging van ontmoetingsplaatsen, van ingerichte recreatiepleinen tot koffiecorners.”

De ontwikkeling van ‘jouw droomwijk’ begint met een integrale samenwerking tussen partijen in het maatschappelijk middenveld. Wat is er nodig voor een succesvolle samenwerking?
“Voor mij staat voorop dat er binnen een stuurgroep feminiene eigenschappen moeten zijn. Niet dat het allemaal vrouwen moeten zijn, maar de nadruk moet liggen op verbinden, empathie en begrip voor de positie van de ander. Niet alleen voor je eigen gewin en succes gaan, maar ook durven inleveren. Samen gaan voor de gemene deler – daar draait het om. Wat mij betreft gelden die feminiene eigenschappen niet alleen voor de maatschappelijke partners, maar ook voor de gemeenten, stedenbouwkundigen en projectontwikkelaars die aan het project werken.”

“Verder is binnen de stuurgroep slagkracht van groot belang. Je moet bouwen vanuit een gedeelde visie op de wijk en een gezamenlijke verantwoordelijkheid. Je hebt commitment nodig: ‘Zo gaan we het doen!’. Ook moet je samen naar de financiën kijken. Kun je door ‘ontschotting’ bijvoorbeeld de financiële stromen beter op elkaar laten aansluiten?”

“Medebepalend voor het succes is overigens wel de omvang van je ontwikkelingsgebied. Als dat gebied te groot en te complex is, loop je snel met z’n allen vast. In Papendrecht, waar we nu naar een nieuwe wijkaanpak kijken, is het gebied klein genoeg om genoeg slagkracht te behouden. We willen het project daar een eerste kleine parel laten zijn, waarvanuit we grotere cirkels kunnen trekken.”

Welke rol zie je voor de gemeente weggelegd in het bouwen aan droomwijken?
“Als samenwerkingspartner hebben we de gemeente hard nodig. Niet alleen vanuit haar faciliterende rol, maar ook voor de versoepeling van de wet- en regelgeving, zodat er meer flexibiliteit komt in huur, koop, huurprijsklassen, woonruimteverdelingsregels en al dat soort barrières.”
 
“Maar misschien nog wel de belangrijkste taak van de gemeente is haar luisterende rol. Mijn oproep: ‘Obedientia’. Luister vooral naar de mensen die actief zijn in die buurten en wijken. Zij weten precies wie er nu wonen en weten wat er nodig is.”