Marja van Leeuwen

De Droom van Marja van Leeuwen

“Ik droom van woonvormen waar mensen met en zonder indicatie (voor woon en/of leefondersteuning) samen de verantwoordelijkheid nemen voor de kwaliteit van leven”

Hoe zien professionals en ervaringsdeskundigen de toekomst van de kwaliteit van wonen, leven en zorg voor kwetsbare mensen? Wat zijn hun dromen en ideeën voor verbetering? En wat kunnen we van elkaar leren om het leven van mensen die het niet helemaal alleen redden, verder te verbeteren?

Marja van Leeuwen, directeur-bestuurder bij RIBW Fonteynenburg, vertelt over haar ‘droomwoonvorm’.

Hoe kijk jij naar de huidige kwaliteit van wonen, zorg en ondersteuning?
“Als ik specifiek kijk naar de RIBW’s, waar we zorg leveren aan mensen met een psychische kwetsbaarheid, vind ik de kwaliteit van wonen momenteel onder de maat. Ergens in de jaren ’70 begonnen we met groepswonen. Een heleboel van die huisvesting is nog steeds hetzelfde. Met alleen maar slaapkamers en een gezamenlijke huiskamer, een gezamenlijke keuken en gezamenlijk sanitair.”

“Die mensen moeten op z’n minst eigen sanitair en een pantry voor een kookplaat en waterkoker hebben. Als mensen verantwoordelijk zijn voor hun eigen omgeving die niet gebruikt wordt door anderen, komen ze in een positieve cirkel terecht. Mensen dragen meer zorg voor hun eigen woonomgeving.”

“Een beter woonklimaat is ook goed voor het begeleidingsklimaat. Het betekent dat we mensen veel meer in hun eigen domein kunnen begeleiden. Dat doet meer recht aan het leven, zoals dat ook in de samenleving gewoon is.”

En hoe vind je dat de zorg en ondersteuning in Nederland geregeld is?
“Met de stelselwijziging van AWBZ naar WMO en de decentralisatie hebben we in 2015 op sommige onderdelen het kind met het badwater weggegooid. Ik sta achter de gedachte dat zorg dichtbij wordt geleverd en zo lokaal mogelijk wordt georganiseerd. Maar je ziet per gemeente grote verschillen in financiering en subsidie, in aanbestedingskeuzes en in verantwoordingseisen. De bureaucratie is enorm toegenomen. Dat kost allemaal geld en dat gaat niet naar de zorg. Dat vind ik jammer.”

“Weer terug naar centraal klinkt wat kort door de bocht, maar het zou mooi zijn als er een landelijk raamwerk is, waarbinnen we kunnen opereren. Met gelijke kwaliteitsstandaarden, met gelijke financiering, zodat er geen verschillen ontstaan tussen gemeenten. Waar we zeker ook naar moeten kijken, is de rol van gemeenten. Zij kijken nu niet alleen naar de vraag wélke zorg en ondersteuning moet worden geleverd, maar ze houden zich ook bezig met hóé de zorg wordt geleverd. Daardoor zijn ze op sommige onderdelen geen bestuurlijke maar bijna een uitvoeringsorganisatie.”

Behalve die aanpassingen in het stelsel – zou je ook de opleiding en aansturing van medewerkers kunnen verbeteren?
“Een van de positieve kanten van de stelselwijziging, decentralisatie en Participatiewet is dat we bewegen van het ‘zorgen voor’ naar het ‘zorgen dat’. De curricula van de hogescholen en ROC’s zijn sinds 2015 weliswaar aangepast, maar er komen nog steeds jonge mensen af die vol in de ‘zorgen-voor-stand’ staan. Dat moet anders. Niet dat we het ‘zorgen voor’ moeten weggooien: het is een bandbreedte waarbinnen mensen zich bewegen. Voor sommige mensen moet je zorgen.”

“De overstap van ‘zorgen voor’ naar ‘zorgen dat’ moet ook binnen de organisatie beklijven. Wanneer ik als bestuurder voor mijn managers ga zorgen, gaan zij op hun beurt zaken bij hun medewerkers afvangen. Stuur ik op resultaat, dan zullen zij hun medewerkers eveneens op zo’n wijze benaderen: ‘Wat zijn de verwachtingen?’, ‘Waarom heb je die niet gehaald?’ en ‘Hoe zorg je dat je dat resultaat wel behaalt?’ Zo zouden medewerkers dat ook met hun cliënten moeten doen. Binnen Fonteynenburg kijken we naar instrumentarium en methodieken om dat nog meer te ondersteunen, maar ook de inrichting van onze huizen kan hieraan bijdragen.”

Wat is jouw grote droom voor de zorg?
“Mensen zijn zoogdieren. We hebben behoefte aan nabijheid, aan ‘zijn’. Al in de prehistorie leefden mensen in stammen. En ook nu zijn we nog steeds geneigd om een stamverband op te zoeken. Juist dat zou ik ook onze huisvesting terug willen zien. Dat er een mogelijkheid is tot communitybuilding. Ik loop wel eens door zo’n oud hofje met van die leuke kleine woningen en dan denk ik: het zou toch geweldig zijn als we hier mensen van verschillende pluimage door elkaar heen laten wonen. Niet alleen een hofje voor mensen met een indicatie, maar een hofje waar mensen – met of zonder psychische kwetsbaarheid – een gezamenlijke verantwoordelijkheid nemen voor de kwaliteit van leven. Het zou fantastisch zijn als we zo kunnen bouwen.”

“Dat is overigens makkelijker dan gezegd. De moeilijkheid zit ‘m bijvoorbeeld in de zorgexploitatie. Krijg je met zes cliënten de business case wel rond? Een andere horde: je kunt mensen niet zomaar dwingen om iets met elkaar te ondernemen. Wil je zo’n community starten, dan moet je gemotiveerde mensen zo ver zien te krijgen dat ze daar met elkaar gaan wonen en er samen wat van maken.”

Wie zijn er nodig om je droom te realiseren?
“Dat zijn de financiers met lef, de corporaties met lef, gemeentes met lef en bestuurders met lef. Het maakt eigenlijk niet uit welke organisatie je erbij betrekt, maar lef is belangrijk om het een keer anders te doen.”

“Natuurlijk ontmoet ik genoeg partijen die enthousiast zijn over het idee, maar er zijn nog zoveel andere groepen waar heel veel druk zit. Jongeren en ouderen hebben huisvesting nodig. Verder lopen we aan tegen een gebrek aan ruimte om te bouwen, maar ook tegen de bereidheid om voor deze groep mensen huisvesting te realiseren. Niet alle gemeenten zijn verantwoordelijk voor het huidige Beschermd Wonen, wat betekent dat niet alle gemeenten de noodzaak van huisvesting voor deze groep als prioriteit zien.”

Wat is jouw rol daarin?
“Als bestuurder zie ik mezelf verantwoordelijk om in gesprekken een ingang te vinden, om het idee te bespreken, om het in te masseren. Ik weet: het is een weg van de lange adem, maar het is nodig om iets in beweging te zetten. Daarbij voel ik me gesteund door Valente, de brancheorganisatie die een samenvoeging is van de oude maatschappelijke opvang, de RIBW-alliantie en de Vrouwenopvang. Als branche moeten we – vind ik – nog meer de regie pakken en de veranderingen voor zijn. Stap voor stap bewegen we daarnaar toe.”

“Bij RIBW Fonteynenburg zien we graag dat mensen er nog meer bij horen, er nog meer toe doen en nog meer bijdragen. Die visie verwerkelijken we graag samen met de branche, onze maatschappelijke partners en alle naasten om de cliënt heen.”

Marja van Leeuwen

De Droom van Marja van Leeuwen

“Ik droom van woonvormen waar mensen met en zonder indicatie (voor woon en/of leefondersteuning) samen de verantwoordelijkheid nemen voor de kwaliteit van leven”

Hoe zien professionals en ervaringsdeskundigen de toekomst van de kwaliteit van wonen, leven en zorg voor kwetsbare mensen? Wat zijn hun dromen en ideeën voor verbetering? En wat kunnen we van elkaar leren om het leven van mensen die het niet helemaal alleen redden, verder te verbeteren?

Marja van Leeuwen, directeur-bestuurder bij RIBW Fonteynenburg, vertelt over haar ‘droomwoonvorm’.

Hoe kijk jij naar de huidige kwaliteit van wonen, zorg en ondersteuning?
“Als ik specifiek kijk naar de RIBW’s, waar we zorg leveren aan mensen met een psychische kwetsbaarheid, vind ik de kwaliteit van wonen momenteel onder de maat. Ergens in de jaren ’70 begonnen we met groepswonen. Een heleboel van die huisvesting is nog steeds hetzelfde. Met alleen maar slaapkamers en een gezamenlijke huiskamer, een gezamenlijke keuken en gezamenlijk sanitair.”

“Die mensen moeten op z’n minst eigen sanitair en een pantry voor een kookplaat en waterkoker hebben. Als mensen verantwoordelijk zijn voor hun eigen omgeving die niet gebruikt wordt door anderen, komen ze in een positieve cirkel terecht. Mensen dragen meer zorg voor hun eigen woonomgeving.”

“Een beter woonklimaat is ook goed voor het begeleidingsklimaat. Het betekent dat we mensen veel meer in hun eigen domein kunnen begeleiden. Dat doet meer recht aan het leven, zoals dat ook in de samenleving gewoon is.”

En hoe vind je dat de zorg en ondersteuning in Nederland geregeld is?
“Met de stelselwijziging van AWBZ naar WMO en de decentralisatie hebben we in 2015 op sommige onderdelen het kind met het badwater weggegooid. Ik sta achter de gedachte dat zorg dichtbij wordt geleverd en zo lokaal mogelijk wordt georganiseerd. Maar je ziet per gemeente grote verschillen in financiering en subsidie, in aanbestedingskeuzes en in verantwoordingseisen. De bureaucratie is enorm toegenomen. Dat kost allemaal geld en dat gaat niet naar de zorg. Dat vind ik jammer.”

“Weer terug naar centraal klinkt wat kort door de bocht, maar het zou mooi zijn als er een landelijk raamwerk is, waarbinnen we kunnen opereren. Met gelijke kwaliteitsstandaarden, met gelijke financiering, zodat er geen verschillen ontstaan tussen gemeenten. Waar we zeker ook naar moeten kijken, is de rol van gemeenten. Zij kijken nu niet alleen naar de vraag wélke zorg en ondersteuning moet worden geleverd, maar ze houden zich ook bezig met hóé de zorg wordt geleverd. Daardoor zijn ze op sommige onderdelen geen bestuurlijke maar bijna een uitvoeringsorganisatie.”

Behalve die aanpassingen in het stelsel – zou je ook de opleiding en aansturing van medewerkers kunnen verbeteren?
“Een van de positieve kanten van de stelselwijziging, decentralisatie en Participatiewet is dat we bewegen van het ‘zorgen voor’ naar het ‘zorgen dat’. De curricula van de hogescholen en ROC’s zijn sinds 2015 weliswaar aangepast, maar er komen nog steeds jonge mensen af die vol in de ‘zorgen-voor-stand’ staan. Dat moet anders. Niet dat we het ‘zorgen voor’ moeten weggooien: het is een bandbreedte waarbinnen mensen zich bewegen. Voor sommige mensen moet je zorgen.”

“De overstap van ‘zorgen voor’ naar ‘zorgen dat’ moet ook binnen de organisatie beklijven. Wanneer ik als bestuurder voor mijn managers ga zorgen, gaan zij op hun beurt zaken bij hun medewerkers afvangen. Stuur ik op resultaat, dan zullen zij hun medewerkers eveneens op zo’n wijze benaderen: ‘Wat zijn de verwachtingen?’, ‘Waarom heb je die niet gehaald?’ en ‘Hoe zorg je dat je dat resultaat wel behaalt?’ Zo zouden medewerkers dat ook met hun cliënten moeten doen. Binnen Fonteynenburg kijken we naar instrumentarium en methodieken om dat nog meer te ondersteunen, maar ook de inrichting van onze huizen kan hieraan bijdragen.”

Wat is jouw grote droom voor de zorg?
“Mensen zijn zoogdieren. We hebben behoefte aan nabijheid, aan ‘zijn’. Al in de prehistorie leefden mensen in stammen. En ook nu zijn we nog steeds geneigd om een stamverband op te zoeken. Juist dat zou ik ook onze huisvesting terug willen zien. Dat er een mogelijkheid is tot communitybuilding. Ik loop wel eens door zo’n oud hofje met van die leuke kleine woningen en dan denk ik: het zou toch geweldig zijn als we hier mensen van verschillende pluimage door elkaar heen laten wonen. Niet alleen een hofje voor mensen met een indicatie, maar een hofje waar mensen – met of zonder psychische kwetsbaarheid – een gezamenlijke verantwoordelijkheid nemen voor de kwaliteit van leven. Het zou fantastisch zijn als we zo kunnen bouwen.”

“Dat is overigens makkelijker dan gezegd. De moeilijkheid zit ‘m bijvoorbeeld in de zorgexploitatie. Krijg je met zes cliënten de business case wel rond? Een andere horde: je kunt mensen niet zomaar dwingen om iets met elkaar te ondernemen. Wil je zo’n community starten, dan moet je gemotiveerde mensen zo ver zien te krijgen dat ze daar met elkaar gaan wonen en er samen wat van maken.”

Wie zijn er nodig om je droom te realiseren?
“Dat zijn de financiers met lef, de corporaties met lef, gemeentes met lef en bestuurders met lef. Het maakt eigenlijk niet uit welke organisatie je erbij betrekt, maar lef is belangrijk om het een keer anders te doen.”

“Natuurlijk ontmoet ik genoeg partijen die enthousiast zijn over het idee, maar er zijn nog zoveel andere groepen waar heel veel druk zit. Jongeren en ouderen hebben huisvesting nodig. Verder lopen we aan tegen een gebrek aan ruimte om te bouwen, maar ook tegen de bereidheid om voor deze groep mensen huisvesting te realiseren. Niet alle gemeenten zijn verantwoordelijk voor het huidige Beschermd Wonen, wat betekent dat niet alle gemeenten de noodzaak van huisvesting voor deze groep als prioriteit zien.”

Wat is jouw rol daarin?
“Als bestuurder zie ik mezelf verantwoordelijk om in gesprekken een ingang te vinden, om het idee te bespreken, om het in te masseren. Ik weet: het is een weg van de lange adem, maar het is nodig om iets in beweging te zetten. Daarbij voel ik me gesteund door Valente, de brancheorganisatie die een samenvoeging is van de oude maatschappelijke opvang, de RIBW-alliantie en de Vrouwenopvang. Als branche moeten we – vind ik – nog meer de regie pakken en de veranderingen voor zijn. Stap voor stap bewegen we daarnaar toe.”

“Bij RIBW Fonteynenburg zien we graag dat mensen er nog meer bij horen, er nog meer toe doen en nog meer bijdragen. Die visie verwerkelijken we graag samen met de branche, onze maatschappelijke partners en alle naasten om de cliënt heen.”